Van verre streken kwam ik her
En zag haar rozentuin
Alle rozen bloeiden er
Aan de voet van een glooiend duin.
Mijn ogen dronken het rozenrood,
Niets zag ik meer dan dát,
Maar plots verscheen daarin de Dood,
Het bladergroen werd zwart.
Ineen kromp toen der rozen rand.
Allengs doofde hun vuur.
De Dood verkreeg de overhand,
Slechts kort nog was hun duur.
Nu één, dan vele tegelijk
Sneeuwden hun blaad'ren neer.
De aard' bedekte een rozentijk,
Des levens laatste eer.
Toen grijnsde de Dood: Zijn werk volbracht,
Althans, zo dacht ik even,
Maar besefte toen: Hij is minder groot.
Dan de kracht van het Eeuwig Leven.
Want stralend in het zwartst der Nacht,
In weerwil van de Dood,
Schitterden in al hun pracht
De rozenbottels rood.
Dood week een stap, en nog,
Hij keerde op zijn schreden.
Ik klom omhoog, behoedzaam toch,
En hij hield stil beneden.
Toen zag ik haar, die de tuin gebood,
Wij lachten naar elkander,
Want zie, zij was sterker dan de Dood
En was toch voor mij geen ander!
Dus zet ik mij bij haar op het duin.
Mijn queeste is vergangen:
Te zijn één roos slechts in haar tuin,
Kan ik nog meer verlangen?