Wie verwachtte hier uw donkergladde stammen,
Aaneengereid ten dans, de zuilen van een cathedraal,
Terwijl een lage zon de varens op doet vlammen,
Het mos begiftigt met een sterrenflonkertaal.
Hoe bevoorrecht was ik u te vinden:
Te mogen toeven in uw hoogverheven sfeer,
Groen als het prille blad van linden,
Zo zacht, zo onuitsprekelijk en teer.
In koele stilte weeft het licht een gouden zoom
Aan elk blad, niet langer stom nu, diafaan
En sereen schept het een groene droom
In de volle ruimte van uw laan.
Tot uw kronen opgenomen zweef ik eer,
Dan dat ik loop; in vervoering, opgetogen
Ben ik. Wat onzegbaars daalt er in mij neer
En doet verbaasd mij lachen, diep bewogen?
Op spiegelzwart water bewaakten drie zwanen
De verborgen toegang tot uw pracht.
Ik loop door struikgewas in natte lanen,
Onwetend nog van wat mij verder wacht.
Dan plotseling onder uw gewelven
Treft mij uw openbaring uit het groen,
Het sacrament verheft mij uit mijzelve.
Onbeweend was ik gestorven toen.
U hebt me overrompeld met uw licht.
Eenmaal de volle lengte doorgelopen
Van uw pad, ben ik gezwicht
En draag u voortaan in mijn hart zonder te hopen.
Het weerzien, waarbij ik ú ontmoet,
Kan nooit meer zijn tijdens dit leven.
Eens zag ik u, verloor u toen voorgoed,
Een zoekende, slechts door uw schim gedreven.