Van het moment dat zij het licht had gezien,
was zij in een staat van vervoering geraakt,
die zij bij haar leven nooit had ervaren.
Een diepe vreugde was in haar opgeweld
en had haar vleugels gegeven.
Een onweerstaanbare wil had haar opgenomen
en bracht een gevoel in haar teweeg,
alsof zij in een onpeilbare diepte van licht viel.
Haar snelheid moest onvoorstelbaar zijn
en toch volgde zij, als in een droom,
de windingen van een tunnel in een trage beweging,
nader en nader tot de bron van het licht.
Handen leken haar te strelen en ijle stemmen
riepen haar aan. Vertrouwde gezichten
doemden op uit het niets en verdwenen.
- Nu ben ik in de hemel!
schoot het juichend door haar heen,
meer als een weten, dan als een gedachte.
Een machtig koor zette in, één stem
van duizenden stemmen, één klank
van een symfonie van klanken,
zwol aan, stierf weg, werd overgenomen
door een enkele stem, zuiver als een saffier.
Witte gestalten, in onafzienbare rijen,
wentelden rond, omgeven door een gouden schijn.
Als door ragfijne draden verbonden
slingerden zij als guirlandes om haar heen
en voorbij, gedreven door dezelfde extatische drang
die haar had hier gebracht.
Lachend grepen zij haar beet en trokken haar mee
in hun wervelende vaart
tot zij een parel was in hun stralende rijgsnoer
en haar glans versmolt met de hunne.
Toen trad de duisternis in en de stilte.
|
|