Wij wandelden over de heide
De Hooglanders staarden ons aan.
Staatsbosbeheer laat ze hier weiden,
Waar reeën eerst vrij konden gaan.
Moe’ dwalen door bronstige bossen
Op zoek naar een ree of een hert
Over zandpad en korstige mossen,
Waar veenbes de doorgang verspert.
Temidden van eiken en berken
Reien zwammen zich zwijgend ten dans
Dode stammen tooiend met zerken,
Of tot grafschrift geschikt in een krans.
Laat evers hier vrijelijk wroeten.
Woel littekens diep in het gras,
Als sporen van sloffende voeten
Door blaren met ruisende pas.
Het groen is nog overal meester,
Maar hult zich in rood, geel en bruin
En hoog boven spar, den en heester
Verheffen de lorken hun kruin.
Nu begonnen wij reeën te ruiken
Wij snoven en roken een ree.
Er hing een reezweem aan de struiken
Van hoog bovenaan tot benee.
De geur is niet licht te beschrijven.
Denk aan kelders vol mostige wijn,
Aan hen die de liefde bedrijven
En het kruidig aroom van vagijn.
Toch viel er geen ree te bespeuren,
Zij hielden zich schuil in het woud.
Bij avond verdronken de kleuren.
Wij moesten naar huis, ‘t werd koud.
‘t Was daar dat wij ons samen schaarden
Rond een dis met gezellige kout
En dat wij voor het eerst nu ontwaarden
Een ree, in de vorm van een bout.