‘t Is donker en mijn hart klopt in mijn keel.
Ik rende van ‘t café naar de parkeerplaats.
In ‘t vale kunstlicht lijkt ‘t viaduct melaats.
Het voelt, alsof ik met haar leven speel.
Waar is ze? O god, ik vraag niet veel,
Maar maak, dat het nog niet te laat is,
Dat ze gewoon hier ergens op straat is,
Een beetje dronken en lacherig, en heel.
Moest ik zo nodig nog ‘n laatste rondje geven
Zonder te zien dat zij vertrokken was.
Maar net als ik de moed heb opgegeven,
Is ze d’r, haar armen om haar opgeschurkte jas.
- Waar was je? Ik was bang, of je nog zou leven.
- Ach, zeikerd, ik moest gewoon even een plas.